BouwProfs

De bouw online verbonden.

(bron: cobouw.nl)

 

Het ministerie van Economische Zaken stelt nog dit jaar 5,9 miljoen euro beschikbaar om innovatie bij kleine en middelgrote bouwbedrijven te stimuleren.

De regeling houdt in dat bedrijven, bijvoorbeeld onder begeleiding van een brancheorganisatie, een meerjarig innovatieplan kunnen uitvoeren. Het moet gaan om plannen die "het product of proces van het bedrijf verbeteren''.

Volgens minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken is het "belangrijk om de bouw te stimuleren om te blijven innoveren. Juist in dit soort zware tijden sneuvelen innovatieve projecten helaas vaak als eerste.''

 

Bij deze legt BouwProfs de volgende stelling aan u voor:

 

"Het is slecht gesteld met innovatie in de bouw."

Bent u het eens of oneens met deze stelling? Wij horen graag waarom.

Weergaven: 291

Hierop reageren

Berichten in deze discussie

Nederland heeft een beetje last van de wet van de remmende voorsprong. Maar goed, laten we dat niet zien als een probleem, maar als een uitdaging. Dit is een mooie kans om eens serieus werk te maken van BIM.
Koplopers, volgers en achterblijvers. Dat is de traditionele driedelen, waarmee ondernemingen getyperd worden. Koplopers maken veel werk van nieuwe producten en processen, als resultaat van eigen inspanningen op het gebied van research en development. Volgers kijken de kat uit de boom, reageren secondair op succesvolle marktontwikkelingen. Achterblijvers houden zich bezig met traditionele zaken en staan niet open voor een nieuwe aanpak. ‘Het MKB’ bestaat niet. Er is een diversiteit aan bedrijfstypen en ondernemersstijlen, waardoor ieder bedrijf specifieke kenmerken kent. De overheid wil graag het ondernemersschap stimuleren. Ministers en beleidsambtenaren zoeken daarvoor bruikbare aanknopingspunten bij het bedrijfsleven. Daarvoor maken zij gebruik van generieke instrumenten, die voor iedere ondernemer toegankelijk zijn. Ze maken ook gebruik van specifieke instrumenten, die slechts toepasbaar zijn voor bepaalde doelgroepen. Om tot effectief specifiek beleid te komen, is goed inzicht in speciale kenmerken van ondernemingen onmisbaar. Vandaar de trits van koplopers, volgers en achterblijvers. Zo’n typologie doet nooit recht aan alle voorkomende situaties. Wie maakt uit of je koploper of volger of achterblijver bent? Dat vraagt een nauwkeurige beschrijving van de genoemde categorieën. Er kan niet volstaan worden met het opplakken van een simpel etiket. Er is veel meer diversiteit, dan die waarop het traditionele beleid gebaseerd is. Met als gevolg dat het specifieke beleid minder effectief is dan gewenst. Overheidsingrijpen in de economie dreigt dan een bot middel te worden. Bedrijven, die als koploper door het leven gaan, kunnen bijvoorbeeld eerder in aanmerking komen voor stimulerende subsidies. Dat wordt dan koplopersbeleid genoemd. Een gehonoreerd subsidieverzoek maakt van het bedrijf op zichzelf nog geen koploper. Als er innovatie-prestaties van een onderneming vooral afhankelijk zijn van toegekende subsidies, ontpopt het bedrijf zich niet als koploper, maar vertoont het eerder trekken van een klaploper. Dat zijn bedrijven, die een belangrijk deel van hun onderzoeksinspanningen initiëren met publieke middelen. Echte koplopers vertonen lef en betalen aan ontwikkeling voor nieuwe producten en processen vanuit hun eigen portemonnee. Het is nodig om de gebruikelijke driedeling tegen het licht te houden en te zoeken naar een meer bruikbare typologie van onderneming. Dan zal ook het overheidsbeleid minder op subsidies gericht zijn, en meer op het scheppen van condities waarbinnen ondernemers succesvol kunnen zijn.

Piet M. Oskam, directeur Centrum voor Innovatie van de Bouwkolom (CIB) in Zeist
Prikkels tot innovatie worden talrijker naarmate er meer mensen medezeggenschap hebben.
De medezeggenschap binnen de bouwkolom is aanzienlijk beperkter, omdat in de meeste gevallen de zeer grote groep van de woonconsumenten/eindgebruikers niet vertegenwoordigd is.
Men blijft dus veelal in hetzelfde kleinere cirkeltje (architect-bouwer-ontwikkelaar-overheid) overleggen, waarbij er een groter gevaar op het vormen van enige bedrijfsblindheid ontstaat.
Wat een mooie bijdrage!!

Piet M. Oskam zei:
Koplopers, volgers en achterblijvers. Dat is de traditionele driedelen, waarmee ondernemingen getyperd worden. Koplopers maken veel werk van nieuwe producten en processen, als resultaat van eigen inspanningen op het gebied van research en development. Volgers kijken de kat uit de boom, reageren secondair op succesvolle marktontwikkelingen. Achterblijvers houden zich bezig met traditionele zaken en staan niet open voor een nieuwe aanpak. ‘Het MKB’ bestaat niet. Er is een diversiteit aan bedrijfstypen en ondernemersstijlen, waardoor ieder bedrijf specifieke kenmerken kent. De overheid wil graag het ondernemersschap stimuleren. Ministers en beleidsambtenaren zoeken daarvoor bruikbare aanknopingspunten bij het bedrijfsleven. Daarvoor maken zij gebruik van generieke instrumenten, die voor iedere ondernemer toegankelijk zijn. Ze maken ook gebruik van specifieke instrumenten, die slechts toepasbaar zijn voor bepaalde doelgroepen. Om tot effectief specifiek beleid te komen, is goed inzicht in speciale kenmerken van ondernemingen onmisbaar. Vandaar de trits van koplopers, volgers en achterblijvers. Zo’n typologie doet nooit recht aan alle voorkomende situaties. Wie maakt uit of je koploper of volger of achterblijver bent? Dat vraagt een nauwkeurige beschrijving van de genoemde categorieën. Er kan niet volstaan worden met het opplakken van een simpel etiket. Er is veel meer diversiteit, dan die waarop het traditionele beleid gebaseerd is. Met als gevolg dat het specifieke beleid minder effectief is dan gewenst. Overheidsingrijpen in de economie dreigt dan een bot middel te worden. Bedrijven, die als koploper door het leven gaan, kunnen bijvoorbeeld eerder in aanmerking komen voor stimulerende subsidies. Dat wordt dan koplopersbeleid genoemd. Een gehonoreerd subsidieverzoek maakt van het bedrijf op zichzelf nog geen koploper. Als er innovatie-prestaties van een onderneming vooral afhankelijk zijn van toegekende subsidies, ontpopt het bedrijf zich niet als koploper, maar vertoont het eerder trekken van een klaploper. Dat zijn bedrijven, die een belangrijk deel van hun onderzoeksinspanningen initiëren met publieke middelen. Echte koplopers vertonen lef en betalen aan ontwikkeling voor nieuwe producten en processen vanuit hun eigen portemonnee. Het is nodig om de gebruikelijke driedeling tegen het licht te houden en te zoeken naar een meer bruikbare typologie van onderneming. Dan zal ook het overheidsbeleid minder op subsidies gericht zijn, en meer op het scheppen van condities waarbinnen ondernemers succesvol kunnen zijn.

Piet M. Oskam, directeur Centrum voor Innovatie van de Bouwkolom (CIB) in Zeist
daar sluit ik me graag bij aan Beate.

Beate Bouwman zei:
Wat een mooie bijdrage!!

Piet M. Oskam zei:
Koplopers, volgers en achterblijvers. Dat is de traditionele driedelen, waarmee ondernemingen getyperd worden. Koplopers maken veel werk van nieuwe producten en processen, als resultaat van eigen inspanningen op het gebied van research en development. Volgers kijken de kat uit de boom, reageren secondair op succesvolle marktontwikkelingen. Achterblijvers houden zich bezig met traditionele zaken en staan niet open voor een nieuwe aanpak. ‘Het MKB’ bestaat niet. Er is een diversiteit aan bedrijfstypen en ondernemersstijlen, waardoor ieder bedrijf specifieke kenmerken kent. De overheid wil graag het ondernemersschap stimuleren. Ministers en beleidsambtenaren zoeken daarvoor bruikbare aanknopingspunten bij het bedrijfsleven. Daarvoor maken zij gebruik van generieke instrumenten, die voor iedere ondernemer toegankelijk zijn. Ze maken ook gebruik van specifieke instrumenten, die slechts toepasbaar zijn voor bepaalde doelgroepen. Om tot effectief specifiek beleid te komen, is goed inzicht in speciale kenmerken van ondernemingen onmisbaar. Vandaar de trits van koplopers, volgers en achterblijvers. Zo’n typologie doet nooit recht aan alle voorkomende situaties. Wie maakt uit of je koploper of volger of achterblijver bent? Dat vraagt een nauwkeurige beschrijving van de genoemde categorieën. Er kan niet volstaan worden met het opplakken van een simpel etiket. Er is veel meer diversiteit, dan die waarop het traditionele beleid gebaseerd is. Met als gevolg dat het specifieke beleid minder effectief is dan gewenst. Overheidsingrijpen in de economie dreigt dan een bot middel te worden. Bedrijven, die als koploper door het leven gaan, kunnen bijvoorbeeld eerder in aanmerking komen voor stimulerende subsidies. Dat wordt dan koplopersbeleid genoemd. Een gehonoreerd subsidieverzoek maakt van het bedrijf op zichzelf nog geen koploper. Als er innovatie-prestaties van een onderneming vooral afhankelijk zijn van toegekende subsidies, ontpopt het bedrijf zich niet als koploper, maar vertoont het eerder trekken van een klaploper. Dat zijn bedrijven, die een belangrijk deel van hun onderzoeksinspanningen initiëren met publieke middelen. Echte koplopers vertonen lef en betalen aan ontwikkeling voor nieuwe producten en processen vanuit hun eigen portemonnee. Het is nodig om de gebruikelijke driedeling tegen het licht te houden en te zoeken naar een meer bruikbare typologie van onderneming. Dan zal ook het overheidsbeleid minder op subsidies gericht zijn, en meer op het scheppen van condities waarbinnen ondernemers succesvol kunnen zijn.

Piet M. Oskam, directeur Centrum voor Innovatie van de Bouwkolom (CIB) in Zeist
In de bouw vinden geregeld innovaties plaats. Maar de bouw is niet innovatief. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de bouw niet voorop loopt als we het over innovatie hebben. Zo geeft het bedrijfsleven 1,7% van zijn omzet uit aan R&D maar slechts 0,1% van de bedrijven in de bouwsector doet dat. 25% van de bedrijven in Nederland heeft vernieuwende activiteiten (innovatoren), in de bouw is dat slechts 13% (CBS Kennis en Economie 2008).

Op ICT gebied is de bouw bovengemiddeld als het over betalen en facturen gaat. Daar hebben we de boekhouding grotendeels op gedigitaliseerd. Maar de systemen zijn nog zelden gekoppeld aan voorraadbeheer, productie en logistiek hier scoren we ver onder het gemiddelde. Over het gebruik van ERP, CRM, SCM en E-commerce zullen we maar helemaal niet beginnen (de digitale economie 2009).

Dat de overheid 5,9 miljoen beschikbaar stelt kan een impuls geven. Het is een substantieel bedrag als je bedenkt dat het bedrijfsleven slechts 20 miljoen per jaar investeert in R&D. Dat de overheid deze ondersteuning moet bieden is geen goed teken voor de sector, en ik ben het met Piet Oskam eens dat stimuleren voor goede condities voor bedrijven die wel lef hebben belangrijker is dan het geven van geld aan bedrijven die alleen willen innoveren als de overheid betaald. Nog te vaak is de bouwregelgeving zo ingericht dat vernieuwingen niet toegepast mogen worden. Als het niet in de norm staat…

Innoveren is ook niet eenvoudig. De meeste bedrijven zijn er niet op ingericht. Innoveren doen we ook niet iedere dag. Innoveren geeft echter wel energie, geeft mensen een blik op een positieve toekomst en het bindt daarmee mensen aan de sector. De bouw is juist een leuke sector waar nog veel verbeterd en dus geïnnoveerd kan worden en waar innovaties ook nog grote rendementsprongen kunnen betekenen. Om die reden geef ik dan ook samen met ConSensor volgende week een boekje weg op de beton vakdagen in Gorinchem met de titel: kansen in beton. We hebben bouwers, wetenschappers en marktonderzoekers gevraagd waar de betonsector zich met zijn innovaties op moet gaan richten. Dit boekje gaat juist over de kansen die we hebben als we innoveren.
Als Bouwkostenadviesbureau vallen wij ook onder het MKB.
Wij zijn een klein bureau maar besteden juist veel tijd aan innovatie.
Zo hebben wij de middelen om En volledig digitaal informatie uit te wisselen En te calculeren.
Weliswaar in 2D maar dat is momenteel betrouwbaarder dan in 3D.
We merken dat het digitaal uitwisselen nog in de kinderschoenen staat bij veel bedrijven maar het is groeiende.

ruud speijer
toch valt het wel mee. ik ben dagelijks bezig om innoverende organisaties te ondersteunen met de implementatie van BIM. wat wel waar is dat de meeste in orienterende fase zitten. Maar hoe krijg je de bouwpartners in beweging? Prachtig voorbeeld is dat diegenen die dit al in uitvoering hebben dik in de opdrachten zitten. Ook weet ik organisaties welke wel willen geen subsidie ontvangen Bouwbedrijf Kambier te Koudekerke, doen zij dan iets verkeerds?
ik vermoed dat het bekend zijn van ondersteuning om innovatie initiatieven te verkennen slecht aanwezig is. Hoe maken we het bekend dat er goede voorlichtingsmogelijkheden zijn, nauwelijks iets kostend om dan pas de keuze te maken dit te activeren en zeer belangrijk hoe kom je aan de benodigde subsidie.
Het is slecht gesteld met innovatie in de bouw.
Alles is tot en met traditioneel.
Een bouwkundig ambtenaar die later zelf ook aan het bouwen ging.
Leverde gewoon een tekening in uit 1900 vervolgens kreeg hij de vergunning.
Waarna hij zijn eigen gang kon gaan.
De tekening had hij alleen nog nodig voor de buitenmaten.
Waar gebeurd verhaal.
Zo werkt dat dus. Inovatie 0,oO=nul komma nul.
Misschien wel inovatie in fabrikage methoden van bouwmaterialen.
Dat gebeurd ook allemaal `binnenskamers`
kijk eens naar het positieve: natuurlijk heb je een prachtig voorbeeld. maar juist op het onbekend met de wegen naar subsidie heb ik een paar prachtige voorbeelden voor je in je eigen regio:
WTS architecten Vlissingen, Kambier Aannemer Koudekerke, Delmeco (holding voor meerdere organisaties) te Goes. Alleen meer informerend initiatief ontwikkelen loopt traag. heb dit reeds aan WTS voorgesteld reeds bezig met innovatie, Kambier, die zitten nog in de subsidie aanvraag zijn al een keer afgewezen. Dus mogemoeten we samen eens kijken hoe we het Zeeuwse actief kunnen krijgen.
greetz Ad
Ad de Jongh Bedankt voor de tips volgende week moet ik weer naar Middelburg voor een prodeo advocaat. Dan kan ik dat gelijk / direct combineren. Het doet me een beetje denken aan VvG, eindeoos procederen op staatskosten. Bij prof-staten kennen ze dat verhaal nog allemaal hoorde ik.
Ook zocht ik trouwens nog een achitektenbureau die brood ziet in mijn ideeen.
Die niet extreem zijn hoewel Bert van Leerdam vanavond me het woord ontnam (toch een goeie vent) in een discussie met mensen als v Waveren, v Beveren, Wijfels. Een microfoon had ik toch niet nodig en de toon was gezet betreffende discussie over grote bouwerken.
Op dit moment ga ik daar even niet op in dat zou te ver voeren.
Innovatie in de bouw ! Subsidie EZ ! Op 'deelnivo' zijn innovaties natuurlijk altijd mogelijk. Het grootste probleem is echter dat we (over het algemeen) bouwen zoals de oude Romeinen. Beton storten en stenen stapelen; het heeft zolang kunnen functioneren omdat het met name over de constructie ging. Sedert de introductie van installaties, en apparatuur in gebouwen is het complex geworden; zowel technisch als organisatorisch. De scheiding van 'drager en inbouw' zoals al tientallen jaren geleden bepleit o.a. door Habraken en van Randen wordt nog maar beperkt toegepast. Jos Lichtenberg met zijn visie van Slimbouwen heeft aangetoond dat we wel innoveren, maar niet structureel ; hij noemt dat 'innovation by addition'; we voegen steeds meer materiaal en volume toe. Het gevolg is dat het proces steeds complexer is geworden. Innovaties, hoe goed ook bedacht stranden vaak in de complexe structuur van de bouwketen. Subsidie helpt dan ook nauwelijks.
Wat fundamenteel door de overheid zou moeten worden geinitieerd is dat gebouwen die met belastinggeld worden betaald, minimaal twee functies zouden moeten kunnen hebben. Het is toch niet uit te leggen , dat we bijv.een school bouwen of een gemeentehuis ('voorbeelden genoeg') die we over 50 jaar afschrijven, terwijl het gebruik misschien 10 - 15 jaar is.
De hoofdoorzaak dat we van dit soort gebouwen geen woningen kunnen maken ; indien het leeg komt te staan is dat er verschil wordt gemaakt in het ontwerpen van 'woningbouw' en 'utiliteitsbouw' ! Wat is het verschil of je werkplek thuis is of op kantoor ?
De installaties komen bij u-bouw achter een verlaagd plafond en in woningen storten we ze in betonvloeren en wanden en daardoor zijn ze onbereikbaar voor gewenste aanpassingen.
Zonder 'dubbelschalige en lichte constructies' met de leidingen bereikbaar en dicht bij de gebruiker (dus niet achter een plafond !) blijven we doormodderen.
Ook het misverstand dat massa moet (geluidisolatie en betonkernactivering) is inmiddels aangetoond dat het ook anders kan; zie de IFD projecten.
Ontwerpers kunnen met simpele spelregels , zoals ' geen verschil in verdiepingshoogte tussen een woning en bijv. een kantoor', goede en mooie gebouwen maken, die efficiënt gebouwd kunnen worden. Door het opdelen van het bouwproces in 'skelet' , 'schil' , installaties en inbouw - zie www.slimbouwen.nl krijgen goede ideeën ook een kans om tot verdere verbeteringen te leiden.
Er is bewezen techniek voorhanden; de "bv Nederland" zou zich moeten beraden waarom de bouw zo traag tot verbeteringen komt en met subsidie alleen lossen we dat niet op.
En ook beleggers in vastgoed komen tot betere rendementen als de functie kan wijzigen en het gebouw hergebruikt kan worden. Nu staan er 7 mio m2 kantoren leeg voor 350.000 werkplekken ; rest alleen maar sloop ???!!! Ombouwen tot bv. betaalbare woningen komt niet door 'bestemmingsplannen' , want die kunnen we aanpassen. Het is een technisch/economisch probleem dat de installaties niet aangepast kunnen worden.
Le Corbusier had de oplossing al in 1914 met het Dominohuis; alleen toen hadden we nog geen installaties. Jos Lichtenberg heeft met de ontwikkeling van de ISB (industrieel, flexibel en variabel) bouwen en met Slimbouwen aangetoond dat het anders kan !
Voorbeelden ; ook van hergebruik van gebouwen staan op www.slimlinebuildings.com

Antwoorden op discussie

RSS

Wie zijn lid van BouwProfs?

© 2019   Gemaakt door Michel Eek.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Algemene voorwaarden

Google+